Niet heel slecht

POLEN   Het geeft een schoolreisjes gevoel. Op donderdag in mijn eentje (de rest van team NL ging woensdag, maar ik had nog een heerlijk avondje voor de boeg) met een grote tas met de vaderlandse driekleur erop naar Schiphol met de trein, om dan in een vliegtuig naar een onbekende plaats in Polen te gaan. Een schoolreisje zonder mijn maten van de marathonploeg helaas. Zij moesten op zaterdagavond tegenstand bieden aan de wind en regen op het schuurpapier van de Alkmaarse ijsbaan, terwijl ik met een glaasje Zubrowka Bisongras wodka de langebaan spanning trachtte weg te nemen.

Op Schiphol zag ik dat ik een berichtje van Sipke had. Of ik even wilde bellen. Wat zou er zijn? Het is begin december, maar het zou niet voor het eerst zijn dat de onderhandelingen rondom een nieuw contract al zo vroeg beginnen. Na de wedstrijd in Groningen en gesterkt door mijn afvaardiging voor Oranje besloot ik direct te bellen. Je moet het ijzer smeden als het heet is! Het ging natuurlijk om iets anders. Sipke vond het vreselijk jammer niet mee te kunnen naar Polen. Hij had al afgesproken om met vrienden de ploeg in Alkmaar aan te gaan moedigen. Hij wenste mij veel succes. Super, zo’n telefoontje van onze enorm betrokken sponsor.

Vanaf de zaterdag was het schoolreisjes gevoel alweer verdwenen. Niet langer ervoer ik mijn verblijf in Polen als een beloning voor een mooie 10 kilometer op het WCT, of als een mooie gelegenheid om eens goed bij te slapen en uit te rusten van het gezinsleven. Niet langer was het een kijkje in het kleine wereld van de internationale top in het langebaan schaatsen. Het moment om te kijken naar de gunpower van de Russische sprinters, het zelfvertrouwen van de Japanse dames en de lolbroekerij van de Italianen was voorbij. Ik had geen ruimte meer om me te irriteren aan de mateloze verveling die ik om me heen zag in het hotel en de bus.  Het profbestaan zal ongetwijfeld zwaar zijn, maar tijd voor gelummel is er in elk geval in overvloed.

Nu ging ik ook zelf de tunnel van concentratie in. Hetgeen in de langebaansport waar wij marathonschaatsers zo slecht mee om kunnen gaan. Het piekeren begon. Over de start natuurlijk. Want daar verlies ik zoveel tijd. Ik wilde geen flater slaan. Henk Hospes mijn vervangende coach bij afwezigheid van Piet en Bert Jan had het me nog voorgedaan. Hij is oud sprinter, dus heeft er verstand van. Gewoon in een rechte lijn wegschaatsen. Stappen in de richting van de schaatser in het ISU logo op het spandoek in de bocht. Dat moest lukken. Daarnaast hield ik de tip van Johan Knol in mijn achterhoofd. Gewoon schaatsen en hoeken pakken en niet over het ijs gaan rennen met mijn lange stelten. Als ik dat doe kom ik namelijk echt niet vooruit.

Ik hoefde in elk geval geen rekening te houden met mijn tegenstander. Die had ik namelijk niet. Als allereerste mocht ik op de zondagochtend lekker tien kilometer in mijn eentje gaan rijden. Vlak na mij zouden in de kwartet-start, o nee, trio-start een Noor en een Italiaan van start gaan. Ik hoopte maar dat zij er niet al te veel van gingen bakken, dan zou ik ze halverwege de koers misschien kunnen gaan inhalen. Iets wat aan de marathonschaatser in mij welbesteed is.

Maar dan… Gelukkig ben ik gezegend met het talent om 25 ronden (en zelfs 50 bleek laatst in Groningen) min of meer vlak te rijden. Maar op welke eindtijd en daarmee rondetijd moest ik inzetten? De baan in Polen was geen Thialf, dat was me al snel duidelijk. De ijsmachines zijn er niet sterk genoeg om tegenstand te bieden aan de temperaturen van de milde winters van tegenwoordig, waardoor het ijs veel te zacht is om ronden lang glijdend en tik-tiktakkend over de baan te gaan. Het werd 25 ronden harken, zoveel was me wel duidelijk. Maar ik moest toch een strategie hebben. Een rondetijd om voor te vechten. Ireen Wüst gaf me de tip rondjes 31,3 te gaan rijden, maar dat leek met wat teveel gevraagd op het Poolse softijs. Ik besloot dat ik een seconde langer over de ronde mocht doen dan ik mezelf op Thialf opdraag. Daar tracht ik met alle macht onder de 31.0 te blijven, dus hier moest ik gaan knokken van rondjes onder de 32.0.

De nacht voorafgaand aan de wedstrijd sliep ik slecht. Mijn concuroomie Kars Jansman sliep als een roos, daar had ik geen last van. Het zal de spanning zijn geweest. Ik suste mezelf met de gedachte dat wanneer ik geen spanning zou voelen het misschien met de motivatie ook niet zo best gesteld was. Dus veel spanning = veel motivatie = slecht slapen = een goede 10 kilometer rijden.
Tijdens een marathon vliegen de 125 ronden om zonder dat je er erg in hebt. Echte angst voor de 25 ronden van de tien kilometer heb ik dan ook niet. Maar jemig wat kan een tien kilometer vreselijk lang duren! Na de start was het één lange worsteling. De start verliep – de lessen indachtig – aardig, maar daarna begon het afzien. Vooral de eerste rondjes zag ik regelmatig rondetijden boven de 32.0. Zo langzaam had ik jarenlang niet gereden! In mijn zoektocht naar de juiste techniek op de zuigende ijsplaat tikte ik mezelf zelfs bijna onderuit. Dit deed mijn rondetijden geen goed.

Versnellen aan het einde van de bocht om met een lekker vaartje het rechte stuk op te komen was hier niet aan de orde. Het laatste stukje bocht was een marteling en ik merkte dat ik er steeds verder uitwaaide. Ik kwam erachter dat het rechte stuk een agressieve benadering nodig had. Dus rammen, rammen, rammen, met niet te lange slagen. Wanneer ik dat deed kon ik enkele ronden onder de 32 rijden. Maar het was allemachtig zwaar.

Ondertussen merkte ik aan mijn ademhaling en hartslag dat ik volledig aan mijn max zat. En ook technisch was het heel lastig vol te houden. Ik hoorde Henk roepen van de zijkant: ‘wel technisch blijven rijden’ en ‘iets dieper zitten’, maar alles in mij wilde het tegenovergestelde doen.

Gelukkig was daar een reddingsboei in de vorm van Riccardo Bugari, ook wel bekend als de vegan skater. Zelf had ik me de afgelopen dagen te goed gedaan aan een flinke hoeveelheid Poolse kippenpoten, waar ik best lekker op ging. Per ronde pakte ik flink meters op Bugari. Het was alsof ik hem binnen hengelde. Een heerlijke afleiding voor al mijn fysieke ongemakken. De vegan skater bleek beleefd en ging keurig aan de kant. Daarna hoefde ik nog steeds niet in mezelf te keren want de Noor Ole Broensmoen Naess kwam in beeld. Ook met hem was ik een paar ronden lekker in de weer en ook hij gaf mij als een fatsoenlijke Scandinaviër alle ruimte.

De laatste ronden waren het lekkerst. Mijn angst om te ontploffen van alle inspanning was even weg. Die paar rondjes zou ik nog wel redden. Dus ik luisterde naar Henk en ging nog één keer diep zitten voor een eindsprint van de lange adem. De armen gingen los en ik sleepte me naar een tijd van 13.24

Een beroerde tijd. Was het eerste wat ik dacht toen ik naar het scorebord keek. Deze tijd zou ongetwijfeld verpulverd worden in deze B-groep van de omgekeerde wereld. Door vage regels reden er namelijk een hele club topspecialisten in dezelfde wedstrijd mee. Wat dacht je van Ted-Jan Bloemen, de wereld recordhouder en Olympisch kampioen? Jorrit Bergsma, de grote gelijkmaker van de A-Ware ploeg en bijna altijd goed voor een tijd onder de 13.00?  Ook vreesde ik de besnorde Italiaan Ghiotto, hij reed me bij de World Cup in Stavanger van de eerste plaats. En de Nederlanders Simon Schouten en Kars Jansman. Wat gingen zij doen hier? Ze waren immers sneller dan mij bij het WCT op Thialf.

Ineengedoken ging ik op de tribune zitten. Ik schaamde me voor mijn prestatie. Dat Anema voor de zoveelste keer in het voorbij even aangaf dat er veel meer in me zat hielp hierbij niet. Ik zag Jorrit schijnbaar ontspannen tien seconden sneller dan mij finishen. Ondanks mijn rotgevoel genoot ik van zijn manier van schaatsen. Even daarvoor ploeterde ik nog over het ijs terwijl het bij Jorrit leek alsof hij even lekker technisch aan het inrijden was.

Peter Michael zag ik ook vechten, misschien nog wel meer dan ik zelf gevochten had. Hij begon bloedsnel met rondjes 31 laag maar eindigde hoog in de 32 terwijl hij met de mond wijd open probeerde gang te maken door zich voort te duwen met zijn handen op zijn knieën. De excentrieke Nieuw Zeelander was een paar duizendste sneller dan mij. Shit! Ook de onbekende Graeme Fish reed sneller waardoor ik na twee kwartet ritten al buiten het podium stond.

Wat een sof! Ik was voor niks naar Polen gegaan. Zoveel was me wel duidelijk. Ik had beter gewoon lekker in Alkmaar kunnen gaan marathonnen. Lekker op de fiets naar de baan, er een mooie show van maken en daarna weer fijn in het eigen bed. Maar hé… wacht eens even. Simon, de laatste tijd vaak mijn plaaggeest, zakte er flink doorheen. Hij reed rondjes 33. En ook Kars die mooi vlak reed, kwam niet aan mijn tijd. Ted- Jan ook niet en daarnaast nog een heel stel schaatsers. Alleen Ghiotto ging nog sneller, maar dat had ik al verwacht. 5e van de 23. Dat was niet heel slecht.

Later die middag bleek dat het inderdaad niet heel slecht was. In de bus naar het vliegveld volgden Kars en ik de tien kilometer van de A-groep. Dit bleek inderdaad meer een B-groep te zijn want de tijden die er gereden werden vielen zwaar tegen. Met elk ritje in de A-groep waarin niet onder mijn tijd werd gereden begon ik me beter te voelen. Toen Marcel Bosker supersterk de A-groep wist te winnen in 13.25 was ik blij voor hem, maar nog blijer dat ik zelf een seconde sneller was geweest.

Jouke Hoogeveen

Foto: Martin de Jong